De voornaamste opmerkingen van het CBP zijn:
Fraude met identiteitsbewijzen
Het wetsvoorstel maakt een onderscheid tussen fysieke identiteitsbewijzen (vingerafdrukken bijvoorbeeld) en (alle) ‘papieren’ identiteitsbewijzen. Binnen deze laatste categorie maakt het voorstel echter geen onderscheid tussen wettelijk erkende en niet-erkende identiteitsbewijzen. Hierdoor komen alle papieren identiteitsbewijzen onder dezelfde strafbaarstelling te vallen. Het wetsvoorstel gaat niet in op de verschillen die bestaan tussen de diverse papieren identiteitsbewijzen, zoals bewijskracht, de beheervoorziening en de wijze van verkrijging van het identiteitsbewijs. Dit deel van het wetsvoorstel is daardoor naar het oordeel van het CBP onvoldoende onderbouwd.
Identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden
In het wetsvoorstel wordt onder meer geregeld dat partijen in de strafrechtsketen die geen overheidsorgaan zijn, zoals reclasseringsinstellingen, het burgerservicenummer (BSN) mogen gaan gebruiken. Hierdoor kan informatie worden uitgewisseld met instanties buiten de strafrechtketen. Uitbreiding van het gebruik van het BSN, dat bedoeld is voor de communicatie tussen burger en overheid, is echter alleen wettelijk toegestaan als er een maatschappelijke noodzaak is. In het wetsvoorstel ontbreekt een onderbouwing van deze noodzaak. Ook wordt geen rekening gehouden met de privacyrisico’s. Tot slot wordt in het wetsvoorstel de kring van nieuwe gebruikers niet begrensd, waardoor deze onbepaald is.
z2011-00188