Ter bestrijding van aanhoudende drugssmokkel via Schiphol heeft de Nederlandse Staat in 2004 met een aantal luchtvaartmaatschappijen die rechtstreekse verbindingen onderhouden met de zogenaamde risicogebieden zoals de Nederlandse Antillen en Suriname, convenanten afgesloten. Daarin is afgesproken ten aanzien van passagiers bij wie cocaïne wordt aangetroffen dat deze passagiers een vliegverbod voor de duur van drie jaar krijgen op rechtstreekse vluchten op deze bestemmingen en daarmee op de zogenaamde zwarte lijst worden geplaatst. Ook werd overgegaan tot een 100%-controle van de uit die gebieden afkomstige passagiers.
Het CBP heeft destijds geadviseerd over de juridische inbedding van deze maatregel en de daarbij in een basisdocument op te nemen privacywaarborgen. In 2006 liep de looptijd af van de ministeriële beschikking op basis van de Wet politieregisters (Wpolr) waarin de convenanten waren vervat, en ging de minister van Justitie over tot een verlenging van de beschikking, zonder dat de daarbij geldende vereisten van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) waren betrokken.
Het CBP heeft de minister erop gewezen dat de Wbp in dit verband eist dat aangetoond is dat voortzetting van deze maatregel noodzakelijk is en bovendien voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, wat voor een maatregel met een tijdelijk karakter als deze niet voor de hand ligt. Later werd alsnog aangetoond dat de maatregel van het opgelegde vliegverbod effectief is gebleken en het aantal aangehouden drugskoeriers aanzienlijk is afgenomen, terwijl het achterwege laten daarvan naar verwachting weer tot een stijging van de drugssmokkel zou leiden.
Daarnaast voorzien de nieuwe Wet en Besluit politiegegevens met ingang van 1 januari 2008 in een aparte verstrekkingsgrond voor de zwarte lijst aan de luchtvaartmaatschappijen.
Z2006-00580