Om te worden vrijgesteld van meldingsplicht, moet cameratoezicht volgens de toelichting bij artikel 38 van het Vrijstellingsbesluit Wet bescherming persoonsgegevens noodzakelijk zijn. Of dat het geval is, wordt ook bepaald door wat precies in beeld wordt gebracht: ‘Noodzakelijk is slechts datgene in beeld te brengen waarvoor de rechthebbende verantwoordelijk is, waarover zijn zorg zich uitstrekt. Tenzij dit onvermijdelijk is, mag de camera van de verantwoordelijke dus geen gebouwen, terreinen en zaken van anderen of de openbare weg in beeld brengen’. In het concrete geval moeten deze aspecten in samenhang worden afgewogen. Daarbij dient uiteraard ook rekening te worden gehouden met het privacybelang van betrokkenen.
Daarnaast is de feitelijke situatie van belang: gaat het om een winkelcentrum, een bedrijventerrein of een ‘gewone’ winkelstraat? Van geval tot geval moet worden bezien of sprake is van het in beeld brengen van de publieke ruimte en als dat het geval is, moet worden bepaald welk deel van de publieke ruimte in beeld mag worden gebracht.
Om te weten welke wet van toepassing is, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Gemeentewet, is het vervolgens van belang vast te stellen of alleen de ondernemer aan te merken is als verantwoordelijke of dat sprake is van samenwerking van de ondernemer/winkelier met de gemeente. Tot slot moet ook duidelijk zijn hoe wordt omgegaan met het kenbaarheidsvereiste: hoe wordt het publiek geïnformeerd over het cameratoezicht, als dat voor een deel tot de publieke ruimte uitstrekt?
Gezien de vele ontwikkelingen op het terrein van cameratoezicht, zowel op het gebied van de techniek als wat betreft de toepassingsmogelijkheden, zal het CBP dit jaar de beschikbare informatie over cameratoezicht in het publieke domein actualiseren.
z2009-00259