1. Inleiding
Op 1 september 2001 treedt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in werking. Op hetzelfde moment wordt de Wet persoonsregistraties (WPR) ingetrokken (artikel 81 Wbp). Dit betekent niet dat de WPR zijn betekenis heeft verloren. Het CBP kan bijvoorbeeld nog op verschillende manieren te maken krijgen met de WPR:
- het CBP beschikt over lopende dossiers van de Registratiekamer over problemen die zich onder de WPR hebben voorgedaan;
- het CBP krijgt te maken met verwerkingen die onder de WPR al hebben plaatsgevonden en onder de Wbp doorlopen;
- het CBP krijgt te maken met verwerkingen onder de Wbp waarvoor de WPR anderszins relevant is.
De Wbp besteedt maar heel summier aandacht aan kwesties van overgangsrecht. Het CBP beoogt met deze notitie daarom een eerste praktische handreiking te bieden en enkele knopen door te hakken. Iedereen kan in de praktijk immers met dit soort situaties te maken krijgen.
2. Uitgangspunten
Een gelukkige omstandigheid is dat er inhoudelijk een grote continuteit bestaat tussen WPR en Wbp. Beide gaan evenals Richtlijn 95/46/EG immers uit van dezelfde grondbeginselen die zijn vervat in het Verdrag van Straatsburg. Bij de behandeling van de Wbp in het parlement is dat uitdrukkelijk overwogen. Dit is ook de reden geweest om te kiezen voor een betrekkelijk korte overgangstermijn. Daarbij komt dat de WPR de laatste jaren - zeker sinds 24 oktober 1998 - zoveel mogelijk is uitgelegd in overeenstemming met de richtlijn.
De hoofdregel van het overgangsrecht is 'onmiddellijke werking'. Dat wil zeggen dat een nieuwe regeling van toepassing is op zowel hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, als op hetgeen bij haar inwerkingtreding reeds bestaat. Wil de wetgever daarvan afwijken, dan dient dat uitdrukkelijk bepaald te worden. Aanhangige procedures worden in de regel volgens het oude recht afgewikkeld. Waar de wetgever heeft gezwegen, zal soms een praktische oplossing moeten worden gevonden. De algemene beginselen van overgangsrecht, de geest van de wet en de richtlijn, en de behoeften van de praktijk zullen dan samen de weg moeten wijzen.
3. Overgangstermijn
Artikel 79 lid 1 voorziet in een algemene overgangstermijn van één jaar voor 'verwerkingen die op 1 september 2001 reeds plaatsvonden'. Deze moeten binnen dat jaar 'met de wet in overeenstemming worden gebracht'. Dit betekent niet dat de Wbp in deze gevallen nog niet geldt, maar wel dat de verantwoordelijke één jaar de tijd krijgt om daaraan te voldoen voor zover de Wbp hogere eisen stelt dan de WPR. De wetgever had kunnen kiezen voor het alternatief van inwerkingtreding in fasen of tijdelijk buiten toepassing laten (zie artikel 54 WPR), maar heeft dat gelet op de overgangstermijnen van de richtlijn niet gedaan. Dat wijst op 'directe toepassing' van de nieuwe wet, met dien verstande dat in bepaalde gevallen ruimte bestaat voor geleidelijke aanpassing. In zoverre is er dus sprake van 'verzwakte werking'. In alle andere gevallen is de Wbp per 1 september 2001 onverkort van toepassing.
Een belangrijke vraag is welke verwerkingen van deze overgangsregeling kunnen profiteren.
Een redelijke oplossing is dat het moet gaan om verwerkingen die 'in deze vorm onder de WPR gebruikelijk waren'. Bij een verwerking gaat het steeds om een bepaalde bewerking of geheel van bewerkingen, van bepaalde gegevens, over bepaalde personen, voor één of meer bepaalde doelen. Bij verstrekkingen is ook van belang aan wie de gegevens worden verstrekt. Een 'nieuwe verwerking' doet zich in deze benadering voor als er op één van deze punten sprake is van veranderingen. Dergelijke veranderingen vallen dan buiten de werking van de overgangsregeling. Een praktische beperking hierbij is dat wordt gelet op de categorie van gegevens of betrokkenen, zij het niet op een te hoog niveau van abstractie. Dit ter vermijding van het probleem dat verantwoordelijken onnodig worden geconfronteerd met verschillende regiems voor wat in de praktijk geldt als één geheel. Het veranderen of toevoegen van nieuwe gegevens of betrokkenen leidt er dus niet zonder meer toe dat er geen sprake meer is van een 'bestaande' verwerking.
Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt bij de verkrijging van gegevens, waar het gaat om de plicht tot informatieverstrekking aan betrokkenen (artikel 33-34 Wbp). In dat geval wordt iedere verkrijging beschouwd als een "nieuwe verwerking" zelfs wanneer er sprake is van dezelfde categorie van gegevens of betrokkenen. Dit volgt direct uit de wetsgeschiedenis, zodat hier weinig ruimte bestaat voor interpretatie. Zie nader punt 10.
4. Begrippen en reikwijdte
De algemene bepalingen over begrippen en reikwijdte (artikelen 1-5 Wbp) hebben ten doel om de werkingssfeer van de wet en de verschillende onderdelen daarvan af te bakenen. Als zodanig geven deze bepalingen geen aanleiding tot problemen van overgangsrecht. Wel moet men er op bedacht zijn, dat de toepassing van deze bepalingen inhoudelijke verschillen aan het licht kan brengen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de overgangstermijn:
- Wbp geldt ook voor openbare registers en archieven (artikel 2 lid 2), al zijn de meeste problemen op dit gebied al opgelost door de Aanpassingswet;
- Wbp geldt ten dele ook voor de pers (artikel 3);
- Wbp geldt ook voor bepaalde verwerkingen in het buitenland (artikel 4);
- Wbp stelt andere eisen aan een rechtsgeldige toestemming (artikelen 1 en 5).
5. Algemene normen
Bij de algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid (artikelen 6-15) komt het duidelijkst naar voren dat er inhoudelijk een grote continuïteit bestaat tussen WPR en Wbp. Hoewel de Wbp met name door het begrip 'verwerking' een andere methodiek volgt, is het doorgaans mogelijk om dezelfde elementen in beide wetten terug te vinden. Een persoonsregistratie die onder de WPR rechtmatig werd gevoerd, zal dan ook in de regel leiden tot een rechtmatige verwerking onder de Wbp. Er zijn ook uitzonderingen: zo stelt de Wbp hogere eisen aan het inschakelen van een bewerker (artikel 14) en op onderdelen ook aan de beveiliging (artikel 13). Bestaande verwerkingen kunnen in die gevallen profiteren van de overgangstermijn.
De vraag zou zich kunnen voordoen of in alle gevallen een volledig jaar beschikbaar is voor aanpassing aan de hogere eisen van de Wbp. In het algemeen volgt dat inderdaad uit de tekst van artikel 79 lid 1 ('binnen een jaar'). Denkbaar is dat dit in bijzondere gevallen onredelijk zou zijn gezien de omstandigheden van het geval en de belangen van betrokkene. In zulke gevallen zou aangevoerd kunnen worden dat onnodig uitstel 'onbehoorlijk of onzorgvuldig' (artikel 6) is en dat de verantwoordelijke in zoverre verplicht is tot snellere aanpassing.
De overgangsregeling is niet bedoeld om situaties die onder de WPR onrechtmatig waren, na inwerkingtreding van de Wbp nog maximaal een jaar te continueren. De verantwoordelijke blijft in dergelijke gevallen verplicht tot directe aanpassing, tenzij de Wbp de betrokken verwerking zou toestaan. Is dat laatste niet het geval, dan is de verwerking in strijd met de Wbp waarbij zo nodig een beroep kan worden gedaan op artikel 6.
6. Bijzondere gegevens
Voor de aanpassing van de verwerking van bijzondere gegevens aan de daarvoor gestelde bepalingen (artikelen 16-24), is een termijn van drie jaren beschikbaar. Dit is uitsluitend het geval waar deze bepalingen striktere eisen stellen dan ingevolge de WPR reeds van kracht waren en uitsluitend voor zover het die gegevens betreft. In alle andere opzichten is in deze gevallen de algemene overgangsregeling van toepassing.
Of er sprake is van verdergaande eisen, kan alleen blijken bij analyse van de desbetreffende bepalingen in het licht van de concrete omstandigheden. In principe kan het gaan om alle bijzondere gegevens, waaronder de nieuwe categorie van vakbondsgegevens. In de praktijk zal het meestal gaan om persoonsgegevens over iemands gezondheid en strafrechtelijke persoonsgegevens (artikelen 21-22). Waar men in dat verband te maken krijgt met het vereiste van 'uitdrukkelijke toestemming' (artikel 23 lid 1 sub a) bij verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van overeenkomsten die nog onder de WPR zijn tot stand gekomen, behoeft deze op grond van artikel 79 lid 2 niet opnieuw te worden gevraagd. Dit is vooral van belang voor verzekeringen waarbij de gezondheid van de betrokkene relevant is.
7. Gedragscodes
De regeling voor de toetsing van gedragscodes (artikel 25) geeft in beginsel geen aanleiding tot overgangsrechtelijke problemen. In de praktijk vindt intensief vooroverleg plaats over het ontwerp van een gedragscode, voordat deze ter beoordeling wordt voorgelegd. Als dit overleg onder de WPR heeft plaatsgevonden en tot bepaalde uitkomsten heeft geleid, zal het CBP in veel gevallen daaraan zijn gebonden. Als een formeel verzoek om toetsing aanhangig is, lijkt het praktisch om dit onder de Wbp als vooroverleg te beschouwen en op de indiening van een nieuw verzoek aan te sturen.
Waar een gedragscode onder meer in overeenstemming moet zijn met de Wbp, geldt dit ook voor het daarin voorziene overgangsrecht. Gelet op de duurzame aard van de gedragscodes zal dit echter in de regel van weinig betekenis zijn.
8. Melding
Uitgangspunt is dat elke geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens vooraf wordt gemeld bij het CBP of een functionaris voor de gegevensbescherming (artikel 27 lid 1). Deze verplichting geldt niet voor verwerkingen die daarvan op grond van het Vrijstellingsbesluit of de wet zijn vrijgesteld (artikel 29).
Voor bestaande verwerkingen is voorzien in een overgangsregeling, inhoudende dat bestaande verwerkingen, wat betreft de meldingsplicht, binnen één jaar na inwerkingtreding van de Wbp daarmee in overeenstemming moeten zijn (artikel 79 lid 1). Deze overgangsregeling impliceert dat bestaande verwerkingen - voor zover hiertoe de verplichting bestaat - voor 1 september 2002 opnieuw moeten worden gemeld. Op de overtreding van deze verplichting staat als bestuurlijke sanctie een maximum boete van euro 4.500. Overtreding is tevens een strafbaar feit.
De Wbp voorziet in de mogelijkheid om de overgangstermijn tot drie jaar te verlengen. Uit overleg met het ministerie van Justitie is gebleken dat de Minister van Justitie een verlenging van de geldende overgangstermijn voor bestaande verwerkingen niet mogelijk acht binnen de ruimte die hiervoor door de Europese regelgeving wordt gelaten.
9. Voorafgaand onderzoek
Een verwerking die is onderworpen aan voorafgaand onderzoek, moet als zodanig bij het CBP worden gemeld. De verantwoordelijke is verplicht om te wachten met de verwerking tot het onderzoek is voltooid, dan wel tot het bericht dat geen nader onderzoek zal worden ingesteld (artikelen 31 en 32).
Deze regeling geldt in principe ook voor bestaande verwerkingen, zij het dat de verwerking in dit geval niet behoeft te worden opgeschort (artikel 79 lid 3). Dat betekent dat in dergelijke gevallen tegelijk met de melding - dus binnen één jaar na 1 september 2001 - een onderzoek moet worden aangevraagd. De rechtmatigheid van de verwerking moet in dit geval worden beoordeeld in het licht van de wettelijke bepalingen waaraan de verwerking in dat stadium is gebonden. Gaat het om de verwerking van strafrechtelijke gegevens ten behoeve van een derde (artikel 31 lid 1 sub c), dan kan het zijn dat de overgangstermijn voor de verwerking van bijzondere gegevens nog niet is verlopen. In dit geval zal het onderzoek mede in het licht van de WPR moeten plaatsvinden. Als de verwerking is aangepast aan de striktere regels van de Wbp, is dat een inhoudelijke wijziging die op zijn beurt ook weer moet worden gemeld (artikel 28 lid 3). Die melding zal opnieuw aanleiding geven tot een onderzoek. In dat geval zal het onderzoek plaatsvinden in het licht van de nieuwe regels.
10. Informatieverstrekking
De artikelen 33 en 34 Wbp regelen de informatieverstrekking aan betrokkenen in verband met de verkrijging van persoonsgegevens. Artikel 33 betreft de gevallen waarin de gegevens worden verkregen bij de betrokkene zelf en artikel 34 geeft regels voor andere gevallen. De overgangsregeling van artikel 79 Wbp heeft geen betekenis voor deze gevallen.
De artikelen 33 en 34 Wbp leggen verplichtingen op aan de verantwoordelijke inzake de verkrijging van persoonsgegevens. Deze wordt beheerst door de wettelijke regeling die geldt op het moment van de verkrijging. Worden persoonsgegevens verkregen onder de Wbp, dan dient de verantwoordelijke aan de hier bedoelde verplichtingen te voldoen, ook als het gaat om een verwerking die voor het overige al onder de WPR bestond. De wetgever heeft hier de transparantie dus zwaarder laten wegen. Dit geldt zowel voor bestaande als voor nieuwe relaties. Welke informatie in dergelijke gevallen moet worden verstrekt, volgt uit de inhoud van de artikelen 33 en 34 Wbp. Zijn de betrokkenen daarvan reeds op de hoogte, dan behoeft in zoverre geen informatie te worden verstrekt. Dat is bij bestaande relaties eerder het geval dan bij nieuwe relaties.
Indien de verwerking een persoonsregistratie betreft ten aanzien waarvan niet is voldaan aan de verplichting van artikel 28 WPR (mededeling van eerste opname), kan zich een situatie voordoen als bedoeld aan het slot van punt 5. In dat geval moet er rekening mee worden gehouden, dat de verwerking onrechtmatig kan zijn wegens strijd met artikel 6 Wbp, waarin immers een verplichting tot behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking is neergelegd.
Als de betrokkenen inmiddels al duidelijk op de hoogte zijn gebracht van de opname in en het doel van de persoonsregistratie, behoeft dat op basis van de Wbp niet nogmaals te gebeuren en zal er in zoverre ook geen sprake zijn van een onrechtmatige verwerking.
11. Rechten van betrokkene
De rechten van de betrokkene op kennisneming of correctie sluiten nauw aan op die in de WPR. Op enkele punten is er aanleiding om aanpassing aan de eisen van de Wbp mogelijk te maken. De overgangsregeling biedt daarvoor de ruimte. Op andere punten leent de regeling zich naar zijn aard voor directe toepassing.
Een bijzonder probleem is dat op 1 september 2001 nog verzoeken van geregistreerden om inzage of correctie aanhangig kunnen zijn, waarop de houder niet heeft beslist. Het lijkt dan het meest praktisch ervan uit te gaan, dat deze verzoeken moeten worden getransformeerd naar de nieuwe wet en dus verder moeten worden behandeld als waren zij onder de Wbp ingediend. De verantwoordelijke zal dan op basis van die wet, waar nodig met inachtneming van de overgangsregeling, op de verzoeken moeten beslissen.
De regeling van het recht op kennisneming (artikel 35) sluit nauw aan op die in de WPR. Het recht op informatie over de logica die ten grondslag ligt aan geautomatiseerde verwerkingen (artikel 35 lid 4) is nieuw en kan aanpassingen vergen waarvoor de overgangsperiode bestemd is. De verplichting om een derde in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen over de mededeling van gegevens die hem betreffen (artikel 35 lid 3), geeft invulling aan een ook onder de WPR al noodzakelijke afweging van belangen en raakt de verwerking als zodanig niet. Een directe toepassing van deze verplichting ligt dan ook voor de hand. Dat geldt ook voor de vergoeding van kosten voor het verlenen van kennisneming (artikel 39), voor zover die lager uitvalt dan in de WPR. Het gaat hier immers om een door het parlement uitdrukkelijk beoogde waarborg die de verwerking als zodanig niet raakt. Voor het overige lijkt alleen sprake van technisch-juridische verschillen, die een wezenlijke continuiteit van de regeling niet in de weg staan.
De regeling van het recht op correctie bevat nieuwe elementen die de verwerking als zodanig raken. Zo kan het recht op afscherming (artikel 36 lid 1) bij lopende verwerkingen enkele aanpassingen nodig maken. Het recht op speciale voorzieningen bij gegevensdragers waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht (artikel 36 lid 4) biedt daarentegen juist een oplossing die de verwerking als zodanig onverlet laat. Ook de verkorting van de termijn voor het beslissen op verzoeken om correctie tot vier weken (artikel 36 lid 2), laat de verwerking als zodanig onverlet en leent zich dus voor directe toepassing, behalve op lopende verzoeken. Dat ligt anders waar verzoeken tot aanpassing of verwijdering van persoonsgegevens er toe strekken de materiële normen voor gegevensverwerking af te dwingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de verwerking van bijzondere gegevens. Verantwoordelijken kunnen zich dan beroepen op het feit dat de overgangstermijn nog niet is verlopen.
Gesteld kan worden dat de uitoefening van het recht van verzet (artikelen 40 en 41) steeds gevolgen heeft voor de verwerking waarop het betrekking heeft. Daar staat tegenover dat dit recht naar zijn aard bestemd is om als individuele waarborg te dienen. Daarbij komt dat het 'relatieve' recht van verzet in die zin aansluit op de WPR, dat men zich ook onder die wet kon beroepen op de onrechtmatigheid van verwerkingen. Het ligt dan ook voor de hand er vanuit te gaan, dat een beroep op het recht van verzet ook bij bestaande verwerkingen mogelijk is, zij het dat de gegrondheid van het verzet afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en soms zal afstuiten op het overgangsrecht. Het 'absolute' recht van verzet is voor een deel te beschouwen als een voortzetting van het recht van bezwaar als bedoeld in artikel 14 WPR. In de gedragscode van het DMIN (voorganger van DMSA) uit 1992 wordt aan dit recht al een bredere werking gegeven, zodat ten dele mag worden uitgegaan van een bestendig gebruik. Tegen die achtergrond moet worden aangenomen, dat een beroep op dit recht van verzet ook bij bestaande verwerkingen mogelijk is, zij het dat ook hier de gegrondheid van het verzet afhankelijk zal zijn van de omstandigheden van het geval en in bijzondere gevallen afstuit op het overgangsrecht. Van een 'absoluut' recht van verzet zal tijdens de overgangsperiode in zoverre dus nog geen sprake zijn.
In het laatste geval is nog voorzien in een expliciete verplichting tot informatieverstrekking over het recht van verzet, met name bij elke rechtstreekse benadering van betrokkenen (artikel 41 lid 4). De aard van deze verplichting brengt met zich mee, dat deze na 1 september 2001 direct van toepassing is.
De bescherming van belanghebbenden bij geautomatiseerde besluiten (artikel 42) is nieuw en heeft gevolgen voor de betrokken verwerkingen. Deze regeling lijkt dan ook geheel onder de werking te vallen van het overgangsrecht.
12. Rechtsbescherming
Bij de uitoefening van de zojuist bedoelde rechten zullen betrokkenen ook na 1 september 2001 aanspraak kunnen maken op rechtsbescherming. Hier doen zich de meeste onzekerheden voor, mede door een verandering van termijnen en de toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) op besluiten van bestuursorganen. De meest werkbare gang van zaken lijkt de volgende.
Als een verantwoordelijke op verzoeken om kennisneming of correctie, dan wel in een geval van verzet, beslist na de inwerkingtreding van de Wbp, valt de afwikkeling van deze zaak onder de Wbp. Is de verantwoordelijke een bestuursorgaan, dan is ingevolge artikel 45 Wbp de AWB van toepassing. Dat geldt ook voor beslissingen op verzoeken die véér 1 september 2001 zijn ingediend. Deze verzoeken kunnen het beste worden gelijkgesteld met verzoeken die op basis van de Wbp zijn ingediend (zie ook tweede alinea van punt 11).
Gaat het hierbij om een besluit van een bestuursorgaan, dan kan de verzoeker of een andere belanghebbende daartegen binnen zes weken een bezwaarschrift indienen. Na de afwikkeling daarvan bestaat de mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de bestuursrechter, al dan niet na een verzoek aan het CBP om bemiddeling of advies. In andere gevallen kan de verzoeker of andere belanghebbende de zaak binnen zes weken voorleggen aan de burgerlijke rechter, al dan niet na een verzoek aan het CBP om bemiddeling of advies. Via deze procedures zal de zaak vervolgens, waar nodig met inachtneming van het overgangsrecht van de Wbp, moeten worden afgedaan.
Als een verantwoordelijke heeft beslist onder de WPR, is artikel 45 Wbp niet van toepassing. In dat geval blijft de rechtsbescherming bestaan die tot 1 september 2001 beschikbaar was onder de WPR. Dat betekent dat het geschil in alle gevallen binnen acht weken kon worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter, al dan niet na voorafgaande bemiddeling of advies van de RGK. Het ligt voor de hand dat reeds aanhangige procedures op deze wijze afgewikkeld worden, waarbij het aan de rechter is om te bepalen in hoeverre bij de afdoening van de zaak mede rekening moet worden gehouden met de Wbp en het daarin voorziene overgangsrecht. Als de zaak nog niet aanhangig is gemaakt bij de rechter, ligt het voor de hand dat de lopende beroepstermijn behouden blijft, al dan niet na bemiddeling of advies van RGK of CBP (zie ook punt 13).
Bij het voorgaande dient bedacht te worden dat het gaat om een standpunt van het CBP. De rechter is daar niet aan gebonden. Indien betrokkenen advies vragen over mogelijk door hen te ondernemen acties in verband met het uitoefenen van het recht op inzage of correctie, zou het volgende geadviseerd kunnen worden.
Waar mogelijk lijkt het verstandig om het doen van een verzoek tot inzage of correctie uit te stellen tot na 1 september 2001. Is al een verzoek gedaan op grond van de WPR dan is het, ook als de houder al gereageerd heeft, aan te bevelen om zo mogelijk na 1 september een nieuw verzoek te doen, expliciet gebaseerd op de Wbp. Een dergelijke handelwijze voorkomt problemen van overgangsrecht. Is dit niet mogelijk, dan kan een advies gegeven worden, gebaseerd op de voorgaande uitgangspunten. Is het verzoek gericht tot een bestuursorgaan en heeft dit gereageerd, dan kan worden aanbevolen om na te gaan of de beslissing informatie bevat over de in te stellen rechtsmiddelen, en de mogelijkheid van bezwaar en beroep noemt. Is dit het geval, dan kan de betrokkene het beste de aangegeven weg van bezwaar en beroep volgen. Is dit niet het geval, dan dient te worden geadviseerd conform de hiervoor aangegeven uitgangspunten.
Vraagt een verantwoordelijke, met name een bestuursorgaan, advies over het afhandelen van een verzoek om inzage of correctie, dan kan worden geadviseerd conform de aangegeven uitgangspunten. Verantwoordelijken kan worden geadviseerd om in hun beslissing expliciet aan te geven op welk recht de beslissing is gebaseerd en welke vervolgstappen de betrokkene bij een (gedeeltelijke) weigering kan nemen.
Speciale aandacht verdienen verzoeken die gebaseerd zijn op artikel 32 WPR. Dit recht keert in die vorm niet terug in de Wbp. Is door de houder niet beslist voor 1 september 2001, dan kan het verzoek, in elk geval voor een deel, worden getransponeerd naar een verzoek op grond van artikel 35 Wbp, omdat het tweede lid hiervan de verantwoordelijke verplicht om de verzoeker onder meer te berichten aan welke ontvangers of categoriën van ontvangers persoonsgegevens worden verstrekt. Voor het overige geldt dan weer het voorafgaande.
13. RGK-CBP
De wetgever heeft het CBP kennelijk gezien als een voortzetting van de RGK, met enkele nieuwe taken en bevoegdheden en daarbij passende waarborgen. Het CBP zal dan ook alle lopende zaken van de RGK overnemen en de behandeling daarvan met inachtneming van deze notitie voortzetten. Het CBP zal zich ook overigens richten naar de lijnen die in deze notitie zijn uitgezet. Waar een probleem door de inwerkingtreding van de Wbp is opgelost, zal de zaak worden gesloten.
14. Handhaving
De bevoegdheden van RGK en CBP tot het verrichten van controles en het instellen van een onderzoek zijn geheel identiek, en in beide gevallen goeddeels gebaseerd op de AWB. De regeling voor de afwikkeling van een onderzoek in de Wbp beoogt belanghebbenden meer waarborgen te geven en zal dan ook tevens moeten worden gevolgd bij de afwikkeling van onderzoeken die onder de WPR zijn ingesteld (artikel 60 Wbp).
Voor de materiële beoordeling van klachten over feiten die zich nog onder de WPR hebben voorgedaan, zij verwezen naar de laatste alinea van punt 5. In dat kader is van belang of feiten die zich voor 1 september 2001 hebben voorgedaan, in overeenstemming waren met de toen geldende wetgeving. Zo niet, dan kan dat mede gelet op artikel 6 Wbp ook gevolgen hebben onder het nieuwe recht.
De bevoegdheid van het CBP tot oplegging van een bestuurlijke boete bij overtredingen van de meldingsplicht (artikelen 66-74) zal naar zijn aard alleen betrekking kunnen hebben op overtredingen die onder de Wbp zijn begaan. Het overgangsrecht is daarbij mede bepalend voor de vraag of er sprake is van een overtreding (zie punt 8). Een en ander geldt ook voor de strafrechtelijke sancties (artikel 75).
De bevoegdheid van het CBP tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom bij andere overtredingen van de Wbp (artikel 65) is naar zijn aard gekoppeld aan het materi�le recht onder de Wbp, met inachtneming van het overgangsrecht. Het kan hier ook gaan om verwerkingen die onder de WPR reeds plaatsvonden en toen in strijd waren met de WPR. In voorkomende gevallen zal dan ook tevens gebruik kunnen worden gemaakt van resultaten van onderzoek dat onder de WPR is verricht (zie ook punt 13).
In alle gevallen zullen belanghebbenden gebruik kunnen maken van de rechtsbescherming die onder de Wbp geldt met betrekking tot besluiten van het CBP. Dit geldt eveneens voor de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman over handelingen van het CBP.
15. Derde landen
De regeling in de Wbp over het gegevensverkeer met derde landen (artikelen 76-78) is nieuw en valt daarom mede onder het bereik van de overgangsregeling. In bepaalde gevallen moet rekening worden gehouden met de rechtstreekse werking van Richtlijn 95/46/EG, al dan niet via de weg van artikel 6 Wbp.
16. Bijzondere wetten
Een aantal bijzondere wetten is via de Aanpassingswet in overeenstemming gebracht met de Wbp en Richtlijn 95/46/EG. De overgangsregeling van de Wbp geldt alleen als de betrokken wetten in samenhang met de Wbp van toepassing zijn. Dit is niet het geval bij de Wet GBA en andere wetten genoemd in artikel 2 lid 2 Wbp. De aanpassingen in deze wetten werken in de meeste gevallen onmiddellijk.