Inleiding
Hoofdstuk 11 (artikelen 76-78) van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van 6 juli 2000 bevat een speciale regeling voor de doorgifte van persoonsgegevens vanuit Nederland naar derde landen. Met een derde land wordt een land buiten de EU bedoeld. De vereisten van artikelen 76 t/m 78 Wbp werden aangenomen als uitwerking van Hoofdstuk IV van Europese Richtlijn 95/46/EG van het Europese Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995, over de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van en het vrije verkeer van persoonsgegevens.
Deze Richtlijn heeft twee doelen: enerzijds beoogt de Richtlijn een hoog beschermingsniveau te bieden voor het recht op privacy met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en anderzijds beoogt de Richtlijn vrij verkeer van dergelijke gegevens binnen de Europese Unie mogelijk te maken. Als persoonsgegevens naar een derde land moeten worden doorgegeven, wordt daaraan door deze Richtlijn speciale voorwaarden verbonden. Doorgifte mag alleen plaatsvinden als daarbij wordt voldaan aan de vereisten van de Richtlijn.
Dit beleidsdocument biedt een leidraad voor de toepassing en interpretatie van dit hoofdstuk van de Wbp voor iedereen die persoonsgegevens naar derde landen wil doorgeven. Er worden voorbeelden gegeven om de bedoeling van het document te verduidelijken en in het laatste hoofdstuk is een aantal praktijkvoorbeelden opgenomen. Natuurlijk worden daarin niet alle problemen behandeld waar een verantwoordelijke in de praktijk mee wordt geconfronteerd. Het CBP benadrukt daarbij dat de meeste praktische vragen alleen kunnen worden beantwoord in het licht van de specifieke omstandigheden die per geval zullen verschillen; met andere woorden, een oplossing vinden vereist doorgaans maatwerk.
Dit document is gericht op artikelen 76 t/m 78 Wbp; er wordt alleen naar andere artikelen van deze wet verwezen als dat nodig is voor het begrip van de tekst. Het spreekt voor zich dat alle overige bepalingen van de Wbp van kracht blijven. Een eventuele doorgifte naar derde landen die onder het toepassingsgebied van de wet valt, is alleen rechtmatig als wordt voldaan aan alle bepalingen van de Wbp die op dat specifieke geval van toepassing zijn.
Daarbij moet niet worden vergeten dat, aangezien de Wbp een implementatie is van de Richtlijn in de Nederlandse wet, de tekst van de Richtlijn soms een belangrijke rol speelt voor een correcte interpretatie van de bepalingen van deze wet. Daarom wordt in dit document op enkele plaatsen naar de Richtlijn verwezen. Er wordt ook een aantal documenten aangehaald dat door de zogeheten werkgroep voor de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens werd goedgekeurd, aangezien ze waardevolle interpretaties bieden van diverse aspecten van de Richtlijn. De praktijk heeft uitgewezen dat deze documenten vaak de basis vormen voor discussies die in Brussel worden gevoerd over grensoverschrijdend gegevensverkeer.
De Minister van Justitie en het CBP spelen beide een belangrijke rol met betrekking tot de toekenning van vergunningen, een van de belangrijkste onderwerpen van dit document. De Minister is bevoegd een definitieve beslissing te nemen over een aanvraag voor een vergunning, waarbij hij rekening houdt met het advies van het CBP. Het CBP vervult voor de Minister een adviserende rol en fungeert tegelijkertijd als een toezichthoudend orgaan voor de betreffende verwerkingsprocedures, niet alleen op het moment dat er over de aanvraag wordt besloten, maar ook nadat de vergunning is toegewezen.
De Minister van Justitie is verplicht het CBP zijn mening te vragen voordat de vergunning wordt toegekend. Volgens de tekst van een memorie van toelichting bij de Wbp, speelt het advies van het CBP in dit verband een belangrijke rol; het draagt bij tot de kwaliteit van de besluitvorming over vergunningen vanwege de deskundigheid en ervaring van het College op dit gebied.
Dit document werd opgesteld door College bescherming persoonsgegevens. Om de procedure voor de toekenning van vergunningen sneller en gebruiksvriendelijker te doen verlopen, hebben het CBP en het Ministerie van Justitie echter overeenstemming bereikt over de hoofdlijnen van dit document. Zodoende hebben het College en het Ministerie een gemeenschappelijk inzicht in deze materie ontwikkeld, hetgeen hen in staat stelt deze gevallen op consequente en samenhangende wijze te behandelen.