Mededeling, 15 januari 2007
Gezien de keuze van de wetgever voor een stelsel op basis van verzekering, kan niet in alle gevallen worden vermeden dat de verzekeraar in het kader van de bij hem in te dienen declaraties informatie ontvangt over de diagnose. In reactie op een tussenoordeel van het CBP over de declaratiestructuur in de GGZ heeft het ministerie van VWS volgens het CBP thans voldoende aannemelijk gemaakt dat de door VWS voorgestelde diagnose-informatie op de declaratie ten behoeve van de verzekeraar noodzakelijk is binnen het nieuwe zorgstelsel.
Door de overheveling van de geneeskundige GGZ naar de Zorgverzekeringswet worden aan de inhoud van declaraties aan de zorgverzekeraar nieuwe eisen gesteld. Om beter inzichtelijk te kunnen maken welke prestatie is geleverd, stelt VWS een declaratiesysteem voor waarbij gebruik wordt gemaakt van 14 diagnosehoofdgroepen. Dit geldt uitsluitend voor de lang ambulante zorg, waarbij een relatie kan worden aangetoond tussen de diagnose – bijvoorbeeld angststoornissen of dementie – en de prijs van de behandeling. Bij de kort ambulante trajecten en de klinische trajecten zal derhalve geen diagnose-informatie op de declaratie van de verzekerde worden vermeld. Informatie over zorgtypen die verband houden met een rechterlijke uitspraak (bijvoorbeeld ‘rechterlijke machtiging’ of ‘ ter beschikking stelling’) zal eveneens niet op de declaratie worden opgenomen.
Het CBP merkt op dat de noodzaak van het vermelden van diagnose-informatie maar net opweegt tegen de substantiële aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt. VWS en CBP zullen opnieuw overleg moeten voeren als VWS in de toekomst het vermelden van diagnose-informatie op de declaratie bij kort ambulante trajecten en de klinische trajecten zou willen toestaan. De Wbp en het medisch beroepsgeheim bieden niet of nauwelijks ruimte voor verdere uitbreiding van vermelding van diagnose-informatie op de GGZ-declaratie. Het CBP zal een eventuele uitbreiding in de toekomst dan ook uiterst gereserveerd tegemoet zien.