De verschillen in nationale interpretatie van wat ‘een bijzonder ernstig misdrijf’ is en de nationale zienswijze op de vervolging van misdrijven en het gebruik van pro-actieve opsporingsmethoden vormen volgens het rapport de meest kritische factor voor het gebruik van een artikel 99-signalering. Dit zou een verklaring kunnen vormen voor verschillen in de aantallen signaleringen per land. Een punt van zorg vormt volgens de GCA ook de gebruikte procedure in de Schengen-staten voor het invoeren van een artikel 99-signalering en dan met name de verscheidenheid daarin. Soms zijn de nationaal toepasselijke regels niet duidelijk, is niet helder wie de verantwoordelijke autoriteit is of wordt de toepassing van deze signaleringsgrond door nationale veiligheidsdiensten niet volgens de voorschriften uitgevoerd.
Het rapport doet een aantal aanbevelingen. Onder meer zouden de voor de artikel 99-signaleringen verantwoordelijke autoriteiten formele en beschreven procedures dienen te ontwikkelen om de juistheid, actualiteit en rechtmatigheid van de gegevens die tot de signaleringen leiden te garanderen. Voorts zou er een duidelijke definitie moeten komen van de categorie misdrijven die tot een artikel 99-signalering kunnen leiden, bij voorkeur in Europees verband. De signaleringen en de gegevens die daarvoor worden gebruikt moeten beide regelmatig worden gecheckt.
De aanbevelingen sluiten aan op de bevindingen van het CBP in het Nederlandse onderzoek.
z2008-0364/z2006-0777