De in het ontwerpbesluit voorgestelde wijzigingen betreffen onder meer een uitbreiding van de groep personen van wie het DNA-profiel in de DNA-Databank voor strafzaken opgenomen mag worden en de regels voor het vergelijken van DNA-profielen. Het CBP merkt op dat in het ontwerpbesluit, naast de bestaande toestemming van niet-verdachten om celmateriaal af te nemen voor het verrichten van een klassiek DNA-onderzoek, een aparte bepaling ontbreekt inzake de toestemming van niet-verdachten voor het mogen gebruiken van hun celmateriaal voor DNA-verwantschapsonderzoek. Dat is immers alleen voor dat doel afgestaan als zij daarmee schriftelijk hebben ingestemd. Ook ontbreekt een bepaling over het informeren van de betrokkene over de consequenties van het geven van toestemming voor medewerking aan een DNA-verwantschapsonderzoek. Tevens ontbreken bepalingen over vernietiging van celmateriaal van familieleden.
Wat betreft het inzetten van DNA-onderzoek in vermissingszaken constateert het CBP dat ten onrechte in het ontwerpbesluit staat dat de DNA-profielen van vermiste personen of hun familieleden mogen worden vergeleken met de DNA-profielen van verdachten en veroordeelden. Ook ontbreekt een bepaling over de vernietiging van het celmateriaal en de bijbehorende DNA-profielen van vermisten of hun familieleden in het geval er geen sprake meer is van vermissing.
Het CBP adviseert de minister het ontwerpbesluit aan te passen op deze en een aantal andere onderdelen.
z2009-01307