De minister heeft in deze zaak – voor zover het CBP bekend – voor het eerst via de media gegevens uit een vreemdelingendossier publiek gemaakt. Het onderzoek werd gestart om te toetsen of en zo ja in hoeverre de minister zich hierbij gehouden heeft aan het algemene beleidskader dat het CBP op verzoek van de minister voor voorkomende gevallen had geformuleerd in een advies van 15 maart 2005. In het advies werd geconcludeerd dat verstrekking van persoonsgegevens uit individuele dossiers op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens alleen gerechtvaardigd is in zeer uitzonderlijke omstandigheden, namelijk in geval de taakvervulling van de minister daadwerkelijk in gevaar zou komen door het achterwege laten van een dergelijke verstrekking.
Het onderzoek bevestigt dat de Wet bescherming persoonsgegevens van bestuurders eist dat zij uiterst terughoudend zijn bij het openbaar maken van persoonsgegevens uit dossiers die zijn samengesteld om besluiten ten aanzien van een individu te nemen. Verstrekking van persoonsgegevens buiten de geëigende procedures om en zeker verstrekking daarvan aan de media, zal vrijwel altijd leiden tot onevenredige en daarom op grond van de Wbp onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van individuen.
Naar het oordeel van de minister zou de uitvoering van het vreemdelingenbeleid in deze zaak niet eerder dan op 4 februari 2006 daadwerkelijk in gevaar zijn gebracht door “onevenwichtige berichtgeving in de media”. Uit inventarisatie van de desbetreffende berichtgeving in de media blijkt echter dat de beeldvorming rond deze zaak in de eerste dagen van februari 2006 niet, althans in zeer geringe mate is bepaald door uitlatingen van of namens betrokkene, maar door twee rechterlijke uitspraken ten gunste van betrokkene. Kennelijk hebben berichten over deze uitspraken de situatie naar het oordeel van de minister gewijzigd. De minister had ter verdediging van haar beleid echter kunnen en moeten volstaan met algemene informatie in de context van deze procedures.
Overheden en bestuurders zijn bij de uitoefening van hun taak gehouden het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals deze vertaald is in de Wet bescherming persoonsgegevens, te respecteren. Aandacht in de media voor beleid of de uitvoering daarvan, ook als deze mede wordt veroorzaakt door of vanwege een betrokkene, doet aan die grondrechtelijke bescherming niet af. De instemming van een meerderheid van de Tweede Kamer met de opvatting van de minister dat zij haar beleid publicitair moet kunnen verdedigen, ontslaat de minister niet van de plicht zich aan wet en grondwet te houden.
OVER HET CBP
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) houdt -onder de Wet bescherming persoonsgegevens - toezicht op de naleving van wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.
Het CBP adviseert de regering en organisaties over de bescherming van persoonsgegevens en onderwerpen die daarmee samenhangen. Het CBP toetst gedragscodes en bemiddelt in geschillen tussen burgers en gebruikers van persoonsgegevens. Op eigen initiatief of op verzoek van een belanghebbende kan het CBP onderzoeken of de manier waarop persoonsgegevens in een bepaalde situatie zijn gebruikt, in overeenstemming is met de wet en daaraan zo nodig gevolgen verbinden. Voor in gebreke blijven bij de melding kan een boete worden opgelegd. Bij overtreding van de wet of daarop gebaseerde regelingen kan het CBP overgaan tot bestuursdwang of een dwangsom opleggen.