Het CBP verstaat artikel 4 van het Besluit aldus dat het opnemen en registreren van communicatie die als vertrouwelijk in de relatie advocaat/rechtshulpverlener en cliënt moet worden aangemerkt, slechts geschiedt met de grootst mogelijke terughoudendheid. Slechts een dergelijke interpretatie verdraagt zich met de bovenliggende norm omtrent de noodzaak van het respecteren van deze vertrouwelijke communicatie. Artikel 4 van het Besluit biedt derhalve slechts een grondslag voor de officier van justitie kennis te nemen van opgenomen telecommunicatie met een persoon die vermoedelijk of zeker een geheimhouder als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid Sv, is, indien en voor zover het niet mogelijk is op andere wijze recht te doen aan het respecteren van de vertrouwelijkheid hiervan.
Mocht deze interpretatie niet juist zijn, dan doet zich de vraag voor of artikel 4 van het Besluit op dit onderdeel in overeenstemming is met de bij wet en verdrag erkende bijzondere positie van beroepsgeheimhouders. Vooralsnog trekt het CBP deze conclusie evenwel niet en richt het zich op het bevorderen van een een normconforme werkwijze bij het opnemen en registreren van gesprekken met advocaten en andere rechtshulpverleners. Het OM dient de instructie met deze terughoudende werkwijze in overeenstemming te brengen.
Met betrekking tot de vernietigingsplicht is het CBP van oordeel dat in voorkomende gevallen artikel 126aa, tweede lid, Sv niet wordt nageleefd. Het OM dient hem ten dienste staande maatregelen te treffen teneinde zoveel mogelijk te verzekeren dat na vernietiging van gegevens op grond van artikel 126aa, tweede lid, Sv, in het kader van het strafproces niet met betrekkelijk eenvoudige middelen kennis kan worden genomen van de vernietigde gegevens.