Cameratoezicht werd in de afgelopen jaren een vanzelfsprekend instrument in het arsenaal van middelen om de veiligheid op straat, in winkelcentra, wooncomplexen, horeca en bedrijvenparken te vergroten. De Registratiekamer, de voorloper van het CBP, heeft deze ontwikkeling vroeg onderkend. Het rapport In beeld gebracht uit 1997 gaf vuistregels voor het inzetten van cameratoezicht. De Registratiekamer zag gericht en selectief gebruik van cameratoezicht als een aanvaardbare aanvulling op een breder pakket van maatregelen. Het CBP hield aan deze lijn vast en bleef erop wijzen dat maathouden noodzakelijk was, evenals een regelmatige evaluatie van de effectiviteit van het cameratoezicht.
Gezien de huidige maatschappelijke discussie over veiligheid achtte het CBP het tijd om een tussenbalans op te maken. De komende aanvulling van de Gemeentewet geeft raad en burgemeester immers duidelijke bevoegdheden om cameratoezicht in de openbare ruimte in te richten als instrument van gemeentelijk veiligheidsbeleid. Het CBP heeft daarom deze zomer een onderzoek laten verrichten bij alle Nederlandse gemeenten naar de inzet van cameratoezicht. Het doel was een overzicht te krijgen van de wijze waarop cameratoezicht in de praktijk functioneert en hoe met de privacyaspecten van cameratoezicht in de verschillende gemeenten wordt omgegaan.
Uit het onderzoek blijkt dat één op de vijf gemeenten camera’s inzet voor openbare orde, toezicht en veiligheid. Van de overige gemeenten overweegt 6 % in de toekomst camera’s in te zetten. Meer dan de helft van de gemeenten met cameratoezicht heeft de effectiviteit ervan niet geëvalueerd. Dit kan rechtstreeks raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het toezicht.
Bij burgers leeft veelal de verwachting dat cameraregistratie permanent plaatsvindt en dat bij incidenten direct wordt opgetreden. De resultaten van het onderzoek geven aan dat de meeste gemeenten slechts op bepaalde, vaste tijdstippen in de week cameratoezicht uitoefenen. In één op de vijf gemeenten wordt direct meegekeken.
Ruim de helft van de gemeenten benut het cameratoezicht in het kader van samenwerking met andere instanties en organisaties. Meestal gaat het om samenwerking met de politie bij opsporing, maar ook samenwerking met bedrijven en andere organisaties komt regelmatig voor. De kaders waarbinnen dit gebeurt zijn echter vaak niet duidelijk. Dat is wel nodig omdat het gaat om de verantwoordelijkheid voor het toezicht in de openbare ruimte. Voorzieningen voor het bekijken van de beelden door de geregistreerden ontbreken veelal.
Een aantal gemeenten voldoet niet aan de verplichting het verwerken van persoonsgegevens in het kader van cameratoezicht te melden. Op de naleving hiervan zal het CBP hen aanspreken.
De uitkomsten van het onderzoek zal het CBP verder benutten voor een herziene uitgave van In Beeld gebracht die in 2004 zal verschijnen. Het normenkader voor cameratoezicht zal worden geactualiseerd en waar nodig worden aangescherpt met het oog op de invoering van de nieuwe bepalingen in de Gemeentewet.
Inhoudsopgave
- Samenvatting
- 1 Inleiding
- 1.1 Doel en achtergrond onderzoek
- 1.2 Leeswijzer
- 2 Onderzoeksopzet
- 3 Cameratoezicht in gemeenten
- 3.1 Gebruik cameratoezicht
- 3.2 Toekomstig gebruik
- 4 Toepassing
- 4.1 Uitkijken en opnemen
- 4.2 Cameratechniek
- 4.3 Kenbaarheid en rechten betrokkenen
- 4.4 Samenwerking
- 4.5 Kosten
- 4.6 Melding
- 4.7 Evaluatie
- 5 Besluitvorming
- 5.1 Besluitvorming
- 5.2 Afwegingen
- 5.3 Proportionaliteit en subsidiariteit
- Bijlage
Het volledige rapport kan in pdf-formaat worden gedownload.